|
Stabiliteit van de ondergrond
Op alle locaties waar een hoogteverschil in een terrein wordt aangebracht of gewijzigd, door het aanbrengen van een ophoging op slappe grond of door het plegen van een ontgraving, bestaat potentieel gevaar voor het ontstaan van instabiliteit: het afschuiven van de bovenzijde van het talud in de richting van de onderzijde van het talud.
Stabiliteitsproblemen doen zich regelmatig voor in zandwinputten, bij het ontgraven van bouwkuipen en bij het aanbrengen van ophogingen op slappe ondergrond.
In het laatste geval spelen de door de ophoging opgewekte wateroverspanningen doorgaans een belangrijke rol en wordt vaak het verschijnsel squeezing waargenomen: doordat ondiep liggende slappe lagen onder ophoging zijdelings worden geperst, komt de slootbodem omhoog.
De beoordeling van een stabiliteitsprobleem dient niet alleen beperkt te blijven tot de vraag of het evenwicht verzekerd is (m.a.w. of een bepaald talud stabiel is), maar er moet ook worden gekeken in welke mate er deformaties zullen optreden in het potentieel afschuivende grondmassief voordat er (nieuw) evenwicht wordt bereikt en in hoeverre deze deformaties toelaatbaar zijn voor in het grondmassief aanwezige objecten, zoals leidingen en paalfunderingen.
IFCO kan aan de hand van diverse berekeningen (o.a. met het programma Mstab) adviseren over diverse potentiƫle stabiliteitsproblemen en de mogelijke maatregelen ter beheersing daarvan. Dit komt onder meer vaak aan de orde bij het bouwrijp maken van terreinen, waar de fasering van het aanbrengen van de bruto ophoging veelal dient te worden bepaald op basis van in onderlinge samenhang uit te voeren zettings- en stabiliteitsberekeningen. |
 |
|
|
|